Na 20 jaar tijd houdt de Rechtspraak zich nog steeds van de domme en heeft dus niets geleerd van fouten uit het verleden.

De risico’s van de advocaat als rechter

PETER INGELSE −18/02/95 (!!!), 00:00

MAG een scheidsrechter voetballen? Ik ken de regels niet, maar veel bezwaar lijkt er niet tegen te zijn. Mag een voetballer scheidsrechteren?… De Wet op de rechterlijke organisatie verbiedt een rechter advocaat te zijn, op straffe van ontslag. Niet om de advocatuur te beschermen tegen ongewenste invloeden, maar om de onafhankelijkheid van de rechter te waarborgen. Immers, het dagelijks pleitbezorgen van partijbelangen staat haaks op de onafhankelijkheid. Het verbod geldt niet voor de ruim drieduizend rechters-plaatsvervangers. De meeste daarvan hebben een volle baan als advocaat. Zij doen het rechterswerk er dus ‘bij’, gemiddeld genomen zo’n vier tot tien zittingen per jaar. Hun oordeel in een concrete zaak weegt even zwaar als dat van de gewone rechter. De vraag is dan ook gerechtvaardigd: waarom is de onafhankelijkheid hier nu niet in het geding? De Volkskrant van 7 februari berichtte over een ‘comité van verontruste Nederlanders’. Volgens hen is de rechterlijke macht geïnfiltreerd door de advocatuur. Hun sterkste aanwijzingen: er zijn zowel rechters als advocaten lid van de Rotary, en advocaten treden op als plaatsvervangende rechters. Nu kan er moeilijk bezwaar tegen bestaan dat rechters en advocaten elkaar bij de Rotary-club tegenkomen. Een afzonderlijke afdeling bij Albert Heijn of in het café – zoals vroeger in de Engelse pub voor mannen en vrouwen – lijkt ook wat teveel van het goede. Zolang zij maar niet praten over bij de rechter aanhangige zaken. Dat verbiedt de wet trouwens ook. Onaanvaardbaar zou het zijn als een advocaat als rechter-plaatsvervanger een zaak van een eigen cliënt berecht. Maar zo’n grove aantasting van de onafhankelijkheid komt niet voor. Voorts mag worden aangenomen dat ook zaken van kantoorgenoten taboe zijn. In zoverre beslist de rechter-plaatsvervanger niet in een wedstrijd van zijn eigen club. Maar de gevaren zijn subtieler. Eerst de voordelen. Voor de advocaat is het aardig en nuttig een kijkje in de rechterlijke keuken te nemen. Ook het algemeen belang is met ‘kruisbestuiving’ gediend: de hoogleraar-advocaat, de advocaat-vennootschapscommissaris, de rechter-stichtingsbestuurder enzovoort, zij allen kijken over de eigen grenzen en dat is leerzaam. Ook in de rechterlijke macht lopen hoogleraren rond. Een enkeling, zoals ondergetekende, schrijft in de krant. Kruisbestuiving verbreedt de maatschappelijke blik. Gelukkig pleegt de advocaat zijn plaatsvervangerschap niet op zijn briefpapier te vermelden. Omgekeerd prijkt als hij als rechter-plaatsvervanger zitting houdt, de kantoornaam niet op zijn toga . De inbreng van deze beroepsbeoefenaar die zo dicht bij de omstreden belangen staat, is verfrissend voor de meer teruggetrokken rechter. De advocaat kènt de uitwerking van rechterlijke beslissingen. Voorts vormt het reservoir van plaatsvervangers een geschikte bron om nieuwe rechters uit te selecteren. Deze voordelen zijn belangrijk, maar daarmee houdt het wel ongeveer op. Voor het overige zit het nut hem namelijk vooral in de financiën: rechters-plaatsvervangers leveren – meestal – goed werk voor een prik. Het rijk betaalt ze een fractie (10 à 20 procent) van wat zij als advocaat aan hun cliënten in rekening brengen. Dit belang mag echter geen gewicht in de schaal leggen als het gaat om de onafhankelijkheid. Nu de gevaren. De meeste actieve rechters-plaatsvervangers zijn lid van een van de grote commerciële advocatenkantoren. Het zijn specialisten op velerlei terrein: verzekeringsrecht, vervoersrecht, vennootschapsrecht, arbeidsrecht, auteursrecht, enzovoort. Zij behartigen vaak een eenzijdig belang op het terrein van hun specialisme, bijvoorbeeld dat van de verzekeringsmaatschappij of de werkgever. Verondersteld mag worden dat de arbeidsrechtspecialist als rechter-plaatsvervanger in een concrete arbeidszaak ook het werknemersbelang in het oog houdt. Toch is zijn perspectief anders. Het gevaar is dan ook niet denkbeeldig dat hij scheidsrechter wordt in een wedstrijd van de eigen club. Hetzelfde geldt in meer of mindere mate voor de andere specialisten. Het rechterswerk brengt minder specialisatie met zich mee, en dus is het voor de rechterlijke colleges nu juist aantrekkelijk om een advocaat-specialist bij zaken op diens specifieke terrein in te schakelen. Het geschetste gevaar wordt hierdoor versterkt: zo zal de rechter zich niet altijd realiseren dat hij moet beslissen in een voor specialisten bekend dilemma. Hij laat zich dan voorlichten door iemand die in dat dilemma zijn keus al lang heeft bepaald. Iemand die vandaag als rechter-plaatsvervanger zit, staat morgen te pleiten als advocaat. Ook daardoor heeft deze advocaat een voorsprong: hij kent de keuken (een beetje). Dat is niet zo erg, de ander heeft zijn tijd ook nuttig besteed en compenseert die voorsprong met meer kennis of met een andere vaardigheid. Wel bestaat het risico dat de rechters ongemerkt meer – of juist minder – begrip opbrengen voor het standpunt van de advocaat die gisteren nog collegiaal met hen de raadkamer deelde. Rechters zijn nu eenmaal ook mensen. Het plaatsvervangerschap hoeft de advocaat – of het door hem verdedigde belang – niet altijd voordeel te geven. Angst voor partijdigheid kan zich ook tegen hem keren. Net zoals sommige leraren hun eigen kinderen in de klas voortrekken, terwijl andere voor hen juist strenger zijn. Dat pleit tegen leraar en kind in één klas en tegen advocaten als rechter-plaatsvervanger in de ‘eigen’ rechtbank. IK kan dus concluderen dat terughoudendheid bij de inschakeling van specialisten op zijn plaats is. Bovendien moet men ervoor waken dat niet alleen het perspectief van verzekeringsmaatschappijen, werkgevers enzovoorts tot uitdrukking komt in de benoeming van rechters-plaatsvervangers, maar ook dat van hun wederpartijen. Dat betekent ook dat de plaatsvervangers meer dan tot nog toe moeten worden gerecruteerd uit kleinere – meer op de sociale praktijk gerichte – advocatenkantoren. Tenslotte zouden advocaten – anders dan de geldende praktijk – in beginsel niet in hun ‘eigen’ rechtbank moeten worden benoemd. Als zich daardoor minder rechters-plaatsvervangers melden, moet dat op de koop toe worden genomen. Zelfs de schijn van vermenging van belangen moet worden vermeden. Meer werk dus voor gewone rechters? Ook de staat dient elke schijn te vermijden dat het financiële voordeel zwaarder weegt dan de onafhankelijkheid: wegvallen van plaatsvervangers impliceert uitbreiding van het aantal gewone rechters.

Peter Ingelse is juridisch medewerker van de Volkskrant.

Geef een reactie